Er zijn van die maanden dat er werkelijk niets lijkt te gebeuren; geen
gigs, geen opnames, geen sessies; en dan, huppakee, komen de gigs,
drukte en deadlines allemaal tegelijkertijd, en verlang je weer naar
die rustigere tijden. Februari was zo’n dode maand. Mijn enige gig: Ik
speelde met gitarist Quentin Angus en bassist Leon Boykins in een knus
huiskamercafé in Jamaica, Queens. Boekenkasten, sferische muziek,
sofa’s, banken, tafeltjes en aan de muur een scherm waarop wijze
oosterse spreuken werden afgebeeld. De vaste gasten zaten hun gebak en
koffie te nuttigen en lachten ons vriendelijk toe, terwijl wij ons
installeerden. Dit zou een mooi intiem concert kunnen worden, dacht
ik.
Maar juist toen we zouden beginnen met spelen leek het voor het
merendeel van de gasten het uitgelezen moment er vandoor te gaan.
Natuurlijk lieten we ons hierdoor niet uit het veld slaan en bleven
vol goede hoop: een man in een rolstoel bleef zitten aan de tafel
recht voor onze neus. Hem zouden we de avond van zijn leven geven met
dit privéconcertje!
Maar de man pakte een tijdschrift van de tafel en begon daar
nonchalant doorheen te bladeren. Hij leek onze aanwezigheid geheel te
ontkennen, afgezien van de paar keer dat hij verstoord opkeek. Na tien
minuten hield deze muziekliefhebber het ook voor gezien, en daar
speelden we dan, nog een volle set; voor niemand. Vanachter de
boekenkast kwam soms een ongemakkelijk applausje van de barman, die
maar begonnen was de boel schoon te maken.
Dus na Februari; waarin ik welgeteld voor één persoon heb opgetreden,
was Maart, hoe kon het ook anders, een gekkenhuis. Ik gaf veel les,
had ontzettend veel gigs en repetities en als klap op de vuurpijl mijn
Graduate Recital aan de Aaron Copland School of Music.
Hieronder een fragment daarvan: een compositie van mij genaamd
Amsterdam in Grey (misschien een lichte sneer naar de zomers in
Nederland; hier in New York is nu al heeeeerlijk!)









